Onze familie had geluk, want ze bestond uit zeer

"Onze familie had geluk, want ze bestond uit zeer bekwame landbouwers, althans dat denk ik, omdat wij als een van de weinige families nog over waren. Toen ik nog klein was waren bijna alle boerderijen om ons heen alweer in het bezit van de regering of van een bank, omdat de mensen het geld voor de woning niet langer konden opbrengen. De banken gaven een hoop geld aan politici en kregen later hun geld weer terug doordat de regering de boerderijen van mensen afpakte en ze aan de banken gaf. Maar al die huizen bleven leegstaan, omdat natuurlijk niemand van de banken hiernaartoe wilde verhuizen. Die wilden allemaal in de stad wonen, het liefst in Washington. Daar begrijp ik niets van, Gods schepping was veel zichtbaarder bij ons, dat realiseer ik me, nu ik ver weg ben en af en toe naar huis verlang. We reden altijd met de tractor naar de oude verlaten boerderijen, bijvoorbeeld als mijn vader een raamkozijn, een lading bakstenen of iets anders nodig had. Die spullen haalden we dan weg uit de huizen die nog over waren, hoewel ze bijna op instorten stonden omdat ze door niemand werden onderhouden. We hoefden die spullen dan dus niet te kopen, wat een hoop geld scheelde. Dat was fijn. Ik zocht altijd naar schatten, zoals glazen potjes of porseleinen schaaltjes. Het meeste was kapot, maar soms vond ik iets moois.

Als we daar aan het zoeken waren, vertelde mijn vader altijd over de families die waren verhuisd en wie daarna het huis had overgenomen. Dat was meestal de regering en het ging vaak om belastinggeld. De regering vroeg zulke hoge bedragen, dat de mensen hun boerderij moesten verlaten, waarna de akkers weer dichtgroeiden. Is dat nou normaal, dat een regering geld afpakt dat mensen nodig hebben om te kunnen overleven?

Ik snap niet dat een regering zo zijn gang kan gaan. In de Bijbel staat toch overduidelijk dat God beslist en niet de vorsten of de bazen. Als we volgens de Bijbel zouden leven en niet de wetten en regels zouden volgen die mensen hebben bedacht zonder zich om Gods wil te bekommeren, zou alles anders zijn. Dan zou ik me bijvoorbeeld niet hoeven te verbergen.

Het was, geloof ik, in de zomer toen ik in groep zes begon, dat mijn moeder naar de kamer van mijn broers verhuisde. Die waren toch het huis uit. Mijn vader voelde zich erg eenzaam en begon naar mijn kamer te komen, waar hij naast me in het smalle bed kroop. Maar dat was erg krap en onpraktisch, daar had hij wel gelijk in, en dus verhuisden we naar het grote bed in de slaapkamer. Ik begreep best dat hij zich eenzaam voelde en dat het de schuld van mijn moeder was, omdat ze zich in de kamer van de jongens had opgesloten, maar toch vond ik het niet fijn. Mijn vader was lief, het was niet zo dat hij me sloeg of zoiets. De jongens sloeg hij af en toe, maar mij nooit. Maar er waren andere dingen die ik niet prettig vond.

Als mijn moeder dat met het gehoorzamen en begeren van je echtgenoot maar had begrepen, dan was alles anders geweest. Nadat ik in de winter in de slaapkamer van mijn ouders was gaan slapen, kocht mijn vader de grote John Deere-tractor. We hadden dat jaar een goede oogst gehad, maar de winter zette vroeg in. Ik was bang dat ik niet zo vaak naar school zou kunnen gaan, omdat alles weer dicht zou sneeuwen, en mijn moeder lag al sinds de herfst in het ziekenhuis. Toen beloofde mijn vader dat hij me iedere ochtend met de mooie nieuwe tractor naar de grote weg zou rijden, zodat ik geen enkele schooldag zou missen. Dat maakte me erg blij en ik dacht dat pappa toch wel heel veel om me gaf. Dat hij echt van me hield.

Toch miste ik flink wat schooldagen omdat de schoolbus, soms vanwege de sneeuwhopen en soms omdat het gewoon te koud was voor alle auto’s, zelfs niet de grote weg op kon. Maar het was fijn boven in de warme cabine van de tractor te zitten en daar te blijven wachten tot de koplampen van de schoolbus bij het kruispunt zichtbaar werden. Dan gaf mijn vader me een kus, waarna ik naar beneden klom en naar de bus liep.

Ik had geen echt goede vrienden op school. Ik woonde ook zo afgelegen en ik mocht na school niet in de stad blijven. Er kwam ook bijna nooit iemand bij mij thuis. Als ik jarig was kreeg ik meestal één mooi cadeau van mijn vader, een pop of een jurk en zelfs een keer een fiets, en als mijn moeder thuis was bakte ze een taart."