Mijn tante uit Minnesota stuurde me met kerst en

"Mijn tante uit Minnesota stuurde me met kerst en met mijn verjaardag altijd een paar boeken. Die gingen over zoete kinderen die goede daden verrichtten en de hele tijd aan Jezus dachten. Soms waren de boeken een beetje saai, maar het was ook wel weer leuk om over kinderen te lezen die naast elkaar in huizen woonden waar alleen een heg tussen zat en die elkaar ophaalden om samen naar school te gaan. Ze logeerden bij elkaar en maakten soms ruzie, maar altijd kwam alles goed voor het boek uit was. Bij mij mocht nooit iemand komen logeren.

Eigenlijk hield ik veel meer van de Bijbel dan van boeken over schattige kinderen. Ik herkende veel in de verhalen over Jezus die aan het kruis werd genageld en over het Israëlische volk dat door sprinkhanen werd geteisterd. Wij hadden ook last van sprinkhanen gehad.

Precies in mijn eindexamenjaar van de middelbare school gebeurde er iets verschrikkelijks, we verloren de boerderij. Ik had allang gemerkt dat we veel minder geld hadden en dat mijn vader steeds vaker over de bank en de chef van de banken de belastingen praatte. Mijn moeder lag weer in het ziekenhuis. Misschien kwam dat omdat we geen geld voor haar dure medicijnen hadden, maar mijn vader zei altijd dat ze haar dure sieraden beter kon verkopen dan te klagen. Ik weet niet waarom ze dat niet wilde. Ze wilde helemaal niets. Behalve zich in haar kamer opsluiten en slapen.

Hoewel, ik herinner me één keer dat ze de keuken inkwam om met me te praten. Mijn vader was ergens buiten en ik was vrij van school. De school was gesloten, omdat er een meisje uit mijn parallelklas dood op het toilet was gevonden. Het was een groot en dik meisje dat niemand eigenlijk goed kende en niemand had zich er iets van aangetrokken dat ze na de lunch niet in de klas was teruggekomen. Als er al iemand was geweest die daar bij stil had gestaan, dan had die waarschijnlijk gedacht dat ze wel naar huis zou zijn gegaan. Pas tegen de avond, toen de conciërge bezig was overal de lichten uit te doen en de deuren af te sluiten, ontdekte hij dat een van de deuren van de meisjestoiletten op slot zat. Het was zo’n grote ruimte zoals een toilet voor gehandicapten, dat er niet eens een been van die grote, dikke Sharon onder de deur had uitgestoken, zodat niemand haar had kunnen zien. Ze lag daar midden in een grote plas bloed en naast haar lag een pasgeboren baby. Het was een meisje. Het kind was ook dood. Naderhand werd er gezegd dat het kind waarschijnlijk dood geboren was, maar dat vraag ik me af.

Niemand had aan Sharon gezien dat ze een kind zou krijgen, omdat ze zo dik was en ik vraag me af of ze het zelf wel wist. Ik denk dat het kind er als een volslagen verrassing opeens uit floepte, en dat ze haar hand op het mondje van de baby heeft gehouden toen ze begon te schreeuwen, en dat het kind toen is gestikt waardoor Sharon niet van het toilet af durfde te komen terwijl het bloed maar uit haar lijf bleef stromen en dat ze toen voelde dat het zo misschien maar beter was.

Ik heb het zelf niet gezien, maar de zoon van de conciërge, die bij me in de klas zat, vertelde dat zijn vader had gezegd dat het leek alsof Sharon in een vijver vol bloed lag. Ik dacht toen dat ze in een vijver vol bloed was verdronken.

Ik vroeg me vooral af waar God die dag was, of hoe Hij dacht. Want God is altijd bij je, dat heb ik ondertussen begrepen. Sharon moet iets verschrikkelijks hebben gedaan dat ze zo werd gestraft. Ik heb veel in de Bijbel over straf en de Dag des Oordeels gelezen en dat het het lot van de vrouw is kinderen op de wereld te zetten, dus dacht ik dat als Sharon werkelijk haar kind had vermoord het niet meer dan fair was dat ze door Gods zwaard getroffen was. Dat er van Gods zwaard zulke grote plassen bloed kunnen komen! Toen mijn moeder die dag de keuken inkwam, begreep ik dat ze over Sharon wilde praten. Ik wist dat het voor ons allebei een pijnlijk gesprek zou worden en dat wist zij ook, want ze had allemaal rode vlekken in haar nek.

Ze begon over de bijen te praten die we in de bijenkast achter het huis hadden. En over bloemen, bijen, pollen en bevruchting en meer van zulke dingen waar we op school al eindeloos over hadden gesproken en wat vreselijk saai was geweest. Ik vond het gênant, maar niet half zo gênant als zij het vond, dat kon ik duidelijk aan haar zien. Daarna zei ze dat als een jongen iets met me wilde doen waarvan ik voelde dat het niet goed was, ik nee moest zeggen en moest zeggen dat God dat zo had gezegd en dat het zo in de Bijbel stond. Normaal praatte ze nooit over God, maar nu kwam haar dat goed uit. Ze zei dat je sommige dingen alleen in het ‘huwelijksbed’ deed, en ze vroeg of ik snapte wat ze bedoelde. Ik zei dat ik dat goed begreep en dat ze zich geen zorgen hoefde te maken."