Ik vrees dat je moet proberen iemand mee te nemen

"Ik vrees dat je moet proberen iemand mee te nemen die je kan helpen. Een verpleegster of een andere arts. Die vrouwen moeten met spoed behandeld worden en dat lukt je nooit allemaal in je eentje.

– Maar wie denk je dat ik zou kunnen vragen?

– Zuster Monica van de kliniek op het marktplein of dokter Ilunga van het ziekenhuis zijn de enige twee die ik zo snel kan bedenken.

– Kun jij ze niet bellen? Of heb je hun privénummer voor me?

– Nee, ik ben het huis uitgestoven en heb er niet aan gedacht iets mee te nemen. Het enige telefoonnummer dat ik uit mijn hoofd weet is dat van jou en hier is geen telefoonboek. Jij zult het zelf moeten regelen. Ik ga nu voor die vrouwen zorgen. Ik bel je later.

Op de achtergrond hoort Ellen iemand hartverscheurend gillen terwijl een andere vrouwenstem een psalm zingt. Als troost. De zachte vloerbedekking dempt de stappen van Ellens blote voeten. De receptionist was verbaasd geweest dat de ene Zweedse vrouw, die hier vaak te gast is en net een ongewoon kort telefoongesprek had gevoerd, was komen aansluipen en naar het kamernummer van de andere Zweedse vrouw had gevraagd, maar de receptionist had de twee vrouwen met elkaar zien praten en het had eruit gezien of ze vrienden waren, dus zou het vast geen kwaad kunnen midden in de nacht een kamernummer door te geven. Noch de verpleegster van de kliniek, noch de arts van het ziekenhuis stonden in het telefoonboek van Lusaka, en Ellen heeft geen idee waar ze wonen. Het telefoonnummer voor inlichtingen werkt tijdens kantooruren al nauwelijks en andere betrouwbare collega’s die niet al te veraf wonen kan ze zo snel niet bedenken. Er zit dus weinig anders op dan alleen te gaan. Maar hoe komt ze aan een auto? Ze zou een taxi naar een ander adres kunnen nemen en de rest gaan lopen, maar ze weet niet hoeveel spullen ze moet meenemen en ze weet ook niet zeker of ze het wel kan vinden. Dat is waarom ze nu, op haar blote voeten met de mobiele telefoon in haar zak en een bezwete nek, voor de deur van kamer 821 staat. Ze heeft geen idee of Margoth enigszins bereid is haar te helpen, want eerlijk gezegd kent Ellen haar oude collega niet meer zo goed en weet ze niet in hoeverre ze hetzelfde is gebleven. Maar ze weet wel dat ze bij de Margoth die ze ooit kende en met wie ze in de vrouwenkliniek van Örnsköldsvik heeft gewerkt, zou kunnen aankloppen.

Ze gokt er ook op dat moeders zelden diep slapen en gemakkelijker zijn te wekken dan vaders. En ze heeft gezien dat de familie Oxenstierna een auto heeft gehuurd, een grote Volvo combi.

– Wat is er gebeurd? Waarom zou ik niets tegen Peter zeggen?

Je kunt van Margoth Oxenstierna zeggen wat je wilt, maar ze is makkelijk te wekken en snel van begrip. Als ze, nadat Ellen drie keer zachtjes heeft geklopt, de deur met de veiligheidsketting op een kier doet en hoort wat Ellen fluistert, haalt ze de ketting van de deur, pakt haar hotelsleutel, knoopt de ceintuur van haar zijden ochtendjas vast en loopt op blote voeten met Ellen mee. Pas als ze in Ellens kamer zijn beginnen ze te praten.

De situatie zelf begrijpt Margoth direct. Acuut traumatische ervaring ten gevolge van geweld, zo heet dat in ziekenhuistaal.

– Ik snap niet waarom ze niet naar het ziekenhuis kunnen gaan. Ellen geeft geen antwoord en zit met haar mobiele telefoon te klooien die vanzelf is uitgegaan.

– Maar er is wel meer dat ik niet begrijp, gaat Margoth verder. Natuurlijk kan ik helpen. Het is weliswaar lang geleden dat ik op de eerste hulp bij gynaecologie werkte, maar dat lukt vast wel. Als we tenminste niet te laat komen.

– Kunnen we jouw auto nemen?

– Dat denk ik wel … Peter heeft alleen de hele tijd gereden, dus misschien kun jij rijden?

– Ik denk dat ik het wel kan vinden, en volgens mij zijn de wegen die kant op redelijk goed. Dan gaat Ellens mobiel.

– Hoe gaat het? vraagt Blessing.

– Ja goed. Ik geloof dat ik zowel een collega als een auto heb gevonden.

– Is het zuster Monica of dokter Ilunga?

– Geen van tweeën, maar zo lukt het waarschijnlijk ook.

– Wie is het dan?

– Laat nou maar zitten! We komen en we komen met zijn tweeen. Is het veilig?

– Absoluut!

– Mooi, want er is haast bij.

– Welke spullen heb je nog gevonden?

– Je moet een vacuümpomp meenemen, meer pijnstillers en morning-afterpillen. Verder ook rubberhandschoenen en medicijnen tegen HIV-besmetting, daar heb je toch nog wel wat van over?

– Ja.

– De rest is er geloof ik nog wel, maar neem voor alle zekerheid alles mee wat je denkt nodig te hebben, want misschien zie ik iets over het hoofd. Denk je dat je de weg hiernaartoe kunt vinden?

– Ik herinner me dat ik naar het marktplein moet rijden, maar ik weet niet zeker of ik dat in het donker herken. Weet je misschien een herkenningspunt?’

– Een groot reclamebord van Coca-Cola aan de rechterkant. Meteen daarna sla je links af en dan zie je de kliniek vanzelf. Alleen in dit gebouw brandt licht en je zult het zeker herkennen. Hoe snel kunnen jullie wegrijden?"